Dit artikel verscheen in 1998 in het tijdschrift "De Kluizenaar" van de heemkundige kring De Kluize. Foto's zie 1902.

1902

Vader Rosseel vond een leegstaande wind- en rosmolen te Meerdonk. Daar begon hij zijn activiteiten als "mulder" op reeds 40-jarige leeftijd. Daar hij zijn vak leerde tussen de vaklui die molens bouwde, wist hij wel wat hij deed. Na eerst ongeveer zeven jaren op de oude wijze gewerkt te hebben, besloot hij in 1909 over te schakelen op de steeds beschikbare PK's van een benzinemotor. De wind- en paardenkracht had ook bij hem afgedaan. Door deze zekerheid van werken, kon hij de molen en de bijgebouwen toen reeds aankopen.

1912

De zaken gingen goed en er kon nog een nog groter risico genomen worden. De oude houten windmolen en rosmolen, alsook de houten stallingen werden afgebroken. Plannen voor de nieuwe maalderij werden gemaakt en alle materialen werden door hemzelf gekocht en aangevoerd. Steen, cement, magere zavel en zand, tot het hout voor het dakwerk, werd in Sint-Gillis opgehaald. De nodige metsers en schrijnwerkers die in en om Meerdonk woonden, voerden dit karwei op een perfecte wijze uit. Jozef wist hoe de maalderij er moest uitzien. Hij had zelf aan verbouwingen en vernieuwingen van molens gewerkt. En zo verrees een, voor die tijd, modern bedrijfsgebouw. In grote trekken ziet het er nu in 1998, meer dan 85 jaar later nog zo uit. 

De benzinemotor van 1909 werd meteen omgebouwd tot zuiggasmotor. Een installatie voor het vergassen van steenkool werd dan ook in de bedrijfsgebouwen ondergebracht, waardoor ze hun gas om de mortor aan te drijven, zelf produceerden. Een noodzaak, aangezien kolen toch zo goedkoop waren tegenover benzine. Kolen afhalen aan het station van Kieldrecht was zeker geen zwaar karwei. Paarden en karren had hij toch in gebruik in de maalderij.

1914

De oorlog brak uit. Korte tijd daarop waren de Duitse troepen reeds Antwerpen voorbij. Even bleef de maalderij gespaard, maar de militairen met hun driesteelhamers begonnen palen te heien aan de grens. Nederland was ook zo dichtbij gelegen, amper een boogscheut (500 meter) van hun bedrijf. De grens werd gesloten en afgespannen met draden.

Augustus 1914

De zuiggasmotor van vader Rosseel werd aangeslagen. Een door de troepen aangebrachte alternator, aangedreven door de motor van Jozef, leverde de nodige stroom om de grensbedrading over lange afstand van elektrische spanning te voorzien. Zo moest Jozef tijdens de oorlog zijn beroepsbezigheden staken. Hij had geen andere keuze.

Op het einde van de oorlog werd alles weggehaald. Maar zodra de militairen uit zijn gezichtsveld waren verdwenen waren, begonnen Jozef en zijn zonen reeds terug met de opbouw van de maalderij. Ward was toen 26, Emiel 17, Alfons 13 en Jef 11.

1920

In de jaren '20 gingen de zaken goed, mede door de vakbekwaamheid van vader Jozef, die zelf aanpassingen aan de maalmolens uitvoerde, waardoor de kwaliteit van het gemalen meel verbeterde. Landbouwers uit de buurt, tot Sint-Niklaas, Stekene en zelfs uit Moerbeke brachten hun graan naar Meerdonk om het te laten maken.

1922

Maar ook deze jaren waren zoals in elk gezin, met voorspoed en tegenslag. Zoon Ward, geboren in 1892 en nu reeds 30 jaar, vond het tijd om uit te vliegen. In de zaak blijven er nog drie jongens thuis. Neen dat kon niet.

In Prosperpolder stond een maalderij te koop. Julien Poppe, de eigenaar, wou deze verkopen, maar Ward had niet zoveel geld. Vader Jozef kocht dit "gedoe" voor zijn zoon. Hij moest dan op tijd en stond afbetalen. En zo was onze Ward vertrokken.

Tegenspoed viel ook voor het gezin Rosseel heel zwaar. Toen op 22-jarige leeftijd hun zoon en broer Emiel aan de gevolgen van een 'Fleuris' (verkoudheid) overleed. Door het wegvallen van twee voorname werkkrachten, werd de druk plots groter voor Alfons (18) en Jef (16), alhoewel zij reeds meedraaiden in de zaak van jongsaf. Op 13-jarige leeftijd leerde Jef reeds hoe een molensteen moest worden gekapt of gezet.

Maar vader Jozef was niet alleen vakbekwaam Hij was ook een goed zakenman. Hij kocht grote partijen graan op, maalde ze en verwerkte ze, en verkocht deze aan bakkers of zelfs aan landbouwers die te weinig graan hadden.

Maar het vervoer bleek  toen reeds hun probleem te worden. 2 paarden en 3 boerenkarren van 2 ton waren voor het zwaar vervoer, maar het paard met de treemkar voor het snel vervoer. En ook tijden veranderen.  Dat kon anders. Een auto werd toen reeds een noodzaak.

1925

De eerste auto, een Ford T. werd aangekocht. Deze auto gebruikte men voor het halen van het graan en het wegbrengen of leveren van het meel aan bakkers en landbouwers. Ook voor het halen van steenkool, meestal antraciet 20/22 waarvan men soms meer dan 20 ton per jaar nodig had voor het aanmaken van gas voor de zuiggasmotor. 

Vervolg deel 2