Wie in de geschiedenis van Meerdonk naar echt sensationele gebeurtenissen gaat zoeken, zal fel teleurgesteld worden. Deze uithoek in het Waasland heeft nooit een rol gespeeld in de nationale geschiedenis. Misschien noemt men daarom Meerdonk wel eens "het einde van de wereld".

Toch is er in de loop der eeuwen heel wat gebeurd in dat kleine polderdorp. Geen grote heldendaden, geen grote veldslagen, maar wel het dagelijks leven en werken, dat van Meerdonk gemaakt is wat het nu is.

 

1306 Dat jaar wordt er in een oorkonde voor het eerste de naam “Meerdonc” vermeld. Het gebied wordt omschreven als "hondert vier en dertig bunre onder moer en de woestine ligghende tener stede, die men Meerdonc heet". Het dorp was toentertijd nog schaars bevolkt. De grond was nog weinig vruchtbaar. Moerassen namen het grootste deel van de oppervlakte in beslag. Waarschijnlijk leefde er enkele vissers, herders en turfstekers. De namen van twee wijken herinneren nog aan die tijd. Zandloper betekent een zandige, hoger gelegen plaats tussen de moerassen. Turfbanken verwijst naar de plaats waar turf werd gestoken.

1679 Meerdonk was in die eeuwen slechts een gehucht van Vrasene. Ook  kerkelijk waren  de  stuifbollen (=kletskoppen)  afhankelijk van de Blasiusparochie.

Dat gaf nogal wat problemen, aangezien  Vrasene slechts langs een slechte wegel bereikbaar was. Reeds in 1656 hechtte de kerkraad van Vrasene haar goedkeuring aan het plan om in Meerdonk een kapel op te richten.

Het bleef echter bij woorden en in 1679 besloten de Meerdonkenaars een verzoekschrift te richten tot de bisschop van Gent. De kapel kwam er uiteindelijk in 1683 en in 1685 werd ze officieel als hulpkerk erkend. In 1705 kreeg de kapel een relikwie van de Heilige Cornelius.

1807 De achtereenvolgende pastoors van Vrasene hielden er aan dat de doden in Vrasene werden begraven en dat ook de huwelijken in de hoofdkerk werden ingezegend. Dat was dan weer niet naar de zin van de Meerdonkenaars.

Bekend gebleven is het overgeleverde verhaal van de twee mannen die in het hartje van de winter met een lijk naar Vrasene trokken. De sneeuw  lag vrachten dik op de moeilijk begaanbare wegen. Na twee dagen wroeten, keerden de mannen onverrichterzake naar Meerdonk terug met paard en kar.

Historisch juist is in ieder geval, dat in 1731 een overledene, bij gebrek aan vervoer, in de eigen kapel werd begraven. Hierop volgde een periode van opgravingen en processen. Het was pas in 1807 dat Meerdonk eindelijk een zelfstandige gemeente werd.

Ondertussen echter hadden de sansculotten de kapel verkocht. De Meerdonkenaars wilden echter alles doen om hun eigenheid te bewaren, en kochten ze  met eigen middelen terug.

Deze moeilijke strijd van het kleine gehucht Meerdonk voor zijn zelfstandigheid heeft in het Waasland heel wat weerklank gevonden.

Nu nog zegt men in de streek tegen alles wat eigenzinnig is: "op zijn eigen gelijk Meerdonk".

 

1845 Op 6 april van dat jaar kwam Meerdonk volledig  los te staan van Vrasene. Het werd een zelfstandige gemeente. Eén jaar vroeger kwam de neo-Romaanse Sint-Corneliuskerk klaar. Zij verving de vroegere kapel. Er kwam ook een begankenis.

Traditioneel kwamen elk jaar in september de boeren  van  heinde  en  ver  toegestroomd  om  te 

bidden en zo hun  veestapel van ziekte te  vrijwaren. Ook nu nog bestaat deze begankenis nog.

 

1977  Eeuwenlang hadden de Meerdonkenaars gevochten voor zelfstandigheid. Op 1 januari 1977 kwam  daaraan een einde. Dit gebeurde dan nog uitgerekend één jaar voor het fameuze "Jaar van het dorp" in 1978!

Door de memorabele fusieoperatie werd Meerdonk een deelgemeente van Sint-Gillis-Waas.